Tijdens de afgelopen verkiezingen hoorde je politici overal lovende woorden spreken over het mbo en vakmensen: Het mbo is belangrijk, verdient meer waardering en is onmisbaar voor onze samenleving. Dat zijn mooie woorden, en eerlijk is eerlijk: ze kloppen ook. Maar na die verkiezingen, zodra de aandacht verschuift, merken studenten daar in de praktijk nauwelijks iets van.
Want als we verder kijken dan die woorden, dringt zich al snel een ongemakkelijke vraag op: wat is er sinds die beloftes nu eigenlijk concreet veranderd? In het regeerakkoord staan opnieuw zinnen over het versterken van het mbo en het beter waarderen van praktisch opgeleiden, maar hoe dit daadwerkelijk wordt aangepakt, blijft vaag en weinig concreet. Wie kijkt naar de praktijk ziet dat die gelijkwaardigheid nog altijd ver te zoeken is. Je vindt het niet terug in beleid, niet in beeldvorming en ook niet in het onderwijs zelf, waar die ongelijkheid soms zelfs actief wordt doorgegeven aan een nieuwe generatie studenten.